Wat gaat er wel/niet veranderen door de nieuwe VI-regeling?

Op 25 juni 2019 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel ‘Straffen en beschermen’ van minister Dekker aangenomen. Inmiddels ligt het wetsvoorstel ter behandeling bij de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft op 6 maart 2020 het eerste verslag uitgebracht, waarover nu verder wordt gediscussieerd. Hoewel nog niet bekend is wanneer de Wet in werking zal treden, is het goed om hem alvast tegen het licht te houden, 

Het doel van het wetsvoorstel is vooral om de duur van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) te verkorten. Op dit moment kan een gedetineerde (met een geheel onvoorwaardelijke straf) in aanmerking komen voor VI wanneer hij of zij twee derde van de straf heeft uitgezeten. Voor straffen tussen één en twee jaar geldt een iets afwijkende regeling. De wetgever wil nu de VI in geen enkel geval langer laten duren dan twee jaar. Een voorbeeld: wanneer iemand een gevangenisstraf krijgt opgelegd van 18 jaar, komt hij onder de huidige regeling na 12 jaar in aanmerking voor VI. Met de nieuwe regeling zou dat dus pas na 16 jaar zijn. 

Ook wil de wetgever het OM meer bevoegdheden geven. Op dit moment komt iedere gedetineerde met een onvoorwaardelijke straf langer dan een jaar in aanmerking voor VI, tenzij er redenen zijn om de VI achterwege te laten. Het OM moet nu nog een vordering indienen bij de rechtbank om de VI achterwege te laten. De rechter beslist dan op dat verzoek. Onder de nieuwe regeling zou het OM de bevoegdheid krijgen om te beslissen over het al dan niet achterwege laten van de VI. Het OM zal met betrekking tot iedere gedetineerde moeten overwegen of deze in aanmerking komt voor VI. De rechter zou dan bij deze beslissing geen rol meer spelen. Pas wanneer het OM zou besluiten om de VI achterwege te laten of uit te stellen, kan de gedetineerde een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank. Naast de bezwaarmogelijkheid heeft een gedetineerde voor één keer de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om alsnog voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld, als de VI in eerste instantie niet verleend zou zijn. Deze mogelijkheid ontstaat echter pas 6 maanden nadat de beslissing tot niet-verlenen van de VI is gedaan. Het OM zou dan op dit nieuwe verzoek dienen te beslissen. 

Ook het verloop van de detentie zal door de nieuwe regeling veranderen. Momenteel kan een gedetineerde in het laatste deel van zijn straf in aanmerking komen voor deelname aan het penitentiair programma (PP). De gedetineerde kan dan met een enkelband buiten de PI verblijven. Door de nieuwe regeling wordt deelname aan het penitentiair programma alleen open gesteld voor gedetineerden die een gevangenisstraf hebben gekregen van minimaal zes maanden en maximaal één jaar. In het geval een gedetineerde een gevangenisstraf heeft gekregen die hoger is dan één jaar, zou hij niet meer in aanmerking voor deelname aan het penitentiair programma. 

De nieuwe VI-regeling zal alleen gelden voor gevangenisstraffen die worden uitgesproken en tenuitvoergelegd, nádat de nieuwe wet inwerking is getreden. De regeling geldt dus niet voor gedetineerden die momenteel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf uitzitten. Dit kan anders zijn als een onherroepelijk gestrafte na inwerkingtreding in aanmerking wil komen voor een penitentiair programma. Zodra de wet in werking treedt komt een gedetineerde volgens het overgangsrecht alleen nog in aanmerking voor deelname aan het penitentiair programma als de tenuitvoerlegging van die straf nog ten hoogste 3 jaar na inwerkingtreding van de wet gaande is. Een gedetineerde die na de inwerkingtreding van de nieuwe wet nog 4 jaar moet uitzitten voordat zijn VI aanvangt, hoeft zich dus geen zorgen te maken over zijn VI. Maar deelname aan het penitentiair programma zou voor hem niet meer mogelijk zijn. 

Verdachten die momenteel nog in afwachting zijn van hun strafzaak kunnen er belang bij hebben dat deze wordt afgedaan vóórdat de nieuwe wet in werking treedt. De nieuwe regeling zal gelden voor alle veroordelingen die na de datum van inwerkingtreding worden uitgesproken. Ook als de ´pleegdatum´ voor de datum van inwerkingtreding ligt. 

Natuurlijk is het voor advocaten van belang om de rechtbank te wijzen op de gevolgen die de wet voor de uitspraak zal hebben. De ontwikkeling dat gedetineerden op een later moment in aanmerking kunnen komen voor VI zou voor de rechter een reden kunnen zijn om de straf te verlagen. Als de rechtbank vindt dat een verdachte 12 jaar effectief zal moeten zitten, zal hij na de inwerkingtreding geen 18 jaar, maar 14 jaar opleggen. De laatste twee jaar zou de veroordeelde voor VI in aanmerking komen. Ook als de VI afgewezen zou worden, kan de rechter vervolgens om een oordeel worden gevraagd. 

Op het eerste gezicht is dit nieuwe wetsvoorstel dus weer aan te merken als een sterk staaltje symboolpolitiek. 

Mw. mr. M.F.M. Ortner