Ter zitting verschijnen wordt meer een tactische keuze in het strafproces

Of de door de regering genoemde anderhalvemetersamenleving ook op de langere termijn in de praktijk werk- en leefbaar zal zijn, blijft op zijn minst twijfelachtig. Maar de samenleving is zeker in verandering. Sinds de uitbraak van het virus wordt in alle sectoren gezocht naar mogelijkheden om fysieke aanwezigheid van mensen, waar mogelijk, te verminderen. Zo ook de rechtbanken, die steeds vaker verdachten op afstand horen door middel van beeldbellen of telehoren. 

Telehoren is niet iets nieuws. Hier werd al mee geëxperimenteerd omdat de beveiligde transporten vaak vertraagd zijn en erg duur, terwijl de kans op ontsnapping aanwezig blijft. Door het virus komt er nu een belangrijk argument bij. Zowel verdachten als medewerkers van DV&O en de parketpolitie behoren waar mogelijk beschermd te worden tegen besmetting. 

Voordat de coronacrisis uitbrak, verscheen een verdachte normaal gesproken bij de zitting. Ook verdachten die opzagen tegen de zitting, bijvoorbeeld omdat ze zich toch op hun zwijgrecht zouden beroepen en/of opzagen tegen de oncomfortabele reis, gingen toch, uit beleefdheid, om niet de indruk te wekken dat dat hij of zij geen belangstelling voor de zaak zou hebben. Iemand die vrijgesproken wil worden heeft namelijk meestal wel belangstelling voor zijn of haar zaak. 

Maar verschijnen pakt niet altijd goed uit. Een verdachte is doorgaans niet gewend om zich te moeten verantwoorden in een zaal vol juristen. Dus een verklaring van een verdachte komt niet altijd goed uit de verf. En de rechter weegt de houding van een verdachte ter terechtzitting mee in de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verdachte of de bepaling van de strafmaat. Maar voor de coronacrisis kwam de verdachte toch, omdat niet-verschijnen vrijwel zeker in het nadeel zou worden uitgelegd. 

Dat is nu anders. In brieven dringt de rechtbank er bij procespartijen op aan om niet te verschijnen. Dit geldt nu weliswaar voor zittingen waarvoor maximaal 45 minuten is uitgetrokken, maar als de telehoorcapaciteit in inrichtingen toeneemt, zullen deze tijden voor telehoren worden verruimd. In Den Bosch is al dagenlang een strafproces via videoverbinding gevoerd. 

Door deze ontwikkeling zal de afwezigheid van een verdachte niet meer per se zal worden uitgelegd als een gebrek aan belangstelling. Verdachten zullen dan ook vaker kiezen voor telehoren. Maar als de verdachte niet fysiek aanwezig is in de zittingszaal is het voor de rechtbank veel lastiger om te beoordelen of iemand meent wat hij zegt. Dat geldt ook voor advocaten die tijdens een getuigenverhoor de ondervraagde bij voorkeur recht in de ogen willen kijken, in plaats van beeldbellen via een webcam. 

Voor een verdachte kan beeldbellen dus voor-en nadelen hebben. Voor een verdachte die zich zo weinig mogelijk in de kaarten wil laten kijken, kan beeldbellen een uitkomst zijn. Voor een verdachte die juist veel aan de rechter wil zeggen, zal beeldbellen nadelig kunnen zijn omdat hij daar minder de gelegenheid voor zal krijgen, of omdat er sprake is van een slechte verbinding waardoor hij slechter is te verstaan. Die verdachte kan dan beter aandringen op een vervoer naar de rechtbank, met het bijkomende voordeel dat de behandeling niet zal worden uitgesteld omdat de videoverbinding niet tot stand komt of verbreekt. 

Een advocaat mag kiezen of hij de zaak wil bijwonen in de rechtszaal of in de televerhoorruimte in de PI. Een advocaat in de zittingzaal kan beter reageren op het gedrag van de rechters. Dan is het 

wel extra belangrijk dat de cliënt goed is voorbereid, omdat de mogelijkheden voor overleg met de cliënt tijdens het proces aanmerkelijk minder worden. 

Als verdachten vaker afstand doen van het aanwezigheidsrecht, zal het van de andere kant wel weer vaker voorkomen dat de rechtbank de verdachte verplicht om te komen. Soms wil de rechtbank een verdachte in persoon aan de tand voelen, ondanks de praktische bezwaren. Maar in hoeverre het Europeesrechtelijk door de beugel kan om iemand te dwingen om naar zijn eigen zitting te gaan, is weer een andere vraag.

Mr. D.M. Penn