Over het witwassen van bitcoins

Op 1 februari jl. heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan in een van de eerste grootschalige strafrechtelijke onderzoeken naar het witwassen van bitcoins in de periode 2013 tot begin 2016. In deze zaak stond o.a. een bitcoinhandelaar terecht die naar eigen zeggen met meer dan 1000 mensen bitcoins heeft gehandeld. Het zou gaan om in totaal bijna 63.000 bitcoins. De vraag die voorlag was of de verdachten in deze periode hadden kunnen vermoeden dat de bitcoins die zij aan-en verkochten een criminele herkomst hadden. In dat geval zou er namelijk sprake kunnen zijn van witwassen. Tenzij de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zou kunnen geven, dat de bitcoins niet van misdrijf afkomstig waren. In dat geval kan er alleen van witwassen sprake zijn als nader onderzoek van het OM heeft uitgewezen dat de verklaring niet kan kloppen.

Vermoeden van een mogelijk illegale herkomst

De vraag of de verdachten überhaupt uitleg verschuldigd waren, was niet zo gemakkelijk te beantwoorden, omdat in de periode 2013-2016 sprake was van relatieve onbekendheid met het fenomeen cryptovaluta. En dus ook met de onderzoeksmogelijkheden omtrent de herkomst ervan. Tegenwoordig is dat via labelling van adressen en zoekmachines als walletexplorer makkelijker vast te stellen, maar in die periode was er redelijkerwijs geen mogelijkheid. Toch veroordeelt het Hof een aantal verdachten wegens schuldwitwassen.   

Clustering

De eerste vraag die het Hof diende te beantwoorden, was of de bitcoinadressen aan de verdachten toebehoorden. Dit deed het Hof door acceptatie van analysetechniek clustering. Clustering is een techniek die ertoe leidt dat verschillende bitcoinadressen worden toegeschreven aan één en dezelfde entiteitDoor gebruikmaking van deze techniek konden verschillende bitcoinadressen worden toegeschreven aan verdachten. Als deze bitcoinadressen door clustering aan een verdachte konden worden toegeschreven, maar niet in relatie stonden tot het darknet, of transacties met dat adres buiten de tenlastegelegde periode vielen, volgde (partiele) vrijspraak. Dat was ook het geval als er alleen maar bitcoins van het ene naar het andere bitcoinadres werden verplaatst. Dan was er geen sprake van het verhullen van de herkomst. 

Feiten en omstandigheden

De volgende vraag was of er sprake was van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigden dat het niet anders kan zijn dat dat de bitcoins uit enig misdrijf afkomstig zouden zijn. In dat geval zouden de verdachten namelijk uitleg moeten geven. Ook hier speelt de periode een cruciale rol. Pas in 2017 zou de Financial Intelligence Unit (FIU)komen met de witwastypologieën voor digitale valuta die een witwasvermoeden zouden kunnen rechtvaardigen. Voorbeelden zijn, het niet vaststellen van de identiteit van de koper, betaling in contanten of het gebruik maken van mixers. Omdat de bitcoins werden verhandeld voor 2017 konden de verdachten niet worden tegengeworpen dat zij zich niet hebben gehouden aan normen die tegenwoordig gelden in de handel in cryptovaluta. 

WWFT

Daarom heeft het hof aansluiting gezocht bij de toen geldende Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme, waarin de Wet melding ongebruikelijke transacties was opgegaan. Het Hof neemt een witwasvermoeden aan op grond van de ook toen geldende indicator dat een contante betaling van minimaal 25.000 euro verdacht is. Het Hof overwoog: 

“In concreto betekent dit naar het oordeel van het hof dat, indien de verdachte van één persoon of entiteit een aantal bitcoins met een waarde van € 25.000,– of meer tegen contanten inkoopt, ofwel in één keer, dan wel verspreid over de periode van maximaal een maand, sprake is van een situatie dat het niet anders kan dan dat deze bitcoins van misdrijf afkomstig waren.”

Daarbij nam het Hof onder andere in ogenschouw dat de verdachte zijn klanten veel op publieke plaatsen ontmoette, die bitcoins veelvuldig in contant geld omzette en zijn familieleden de opbrengsten bij geldautomaten liet opnemen. Ook een ordentelijke administratie ontbrak. Het enige dat de verdachte als uitleg hier tegen over zette was een lijst met ongeveer 1.200 klanten. Omdat er geen enkele link was gelegd tussen de namen en de bitcointransacties had de verdachte onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor nader onderzoek. Er was geen sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het OM hoefde dus geen nader onderzoek te verrichten. En de verdachte werd veroordeeld wegens schuldwitwassen. 

Cassatie

De kans is groot dat de Hoge Raad zich over deze vraag gaat buigen. O.a. over de vraag of clustering als analysetechniek geaccepteerd mag worden. Maar ook of van de verdachte verlangd kon worden of hij in het beginstadium van de cryptohandel al een overzichtelijke administratie bijhield. Ook al ging het om grote contante geldstromen. Een uitspraak van de Hoge Raad zal nog wel even duren. Toch is deze uitspraak van het Hof op zijn minst richtinggevend

Mr. D.M. Penn