“Ik deed het niet met opzet”

Een van de meest voorkomende woorden in het wetboek van strafrecht is het woord ‘opzettelijk’. Als dat woord in de tenlastelegging op de dagvaarding staat, kan het feit alleen worden bewezen als de rechtbank ook vindt dat er daadwerkelijk sprake is van opzet. En dat is in veel gevallen helemaal niet zo gemakkelijk vast te stellen. 

Van opzet is sprake als iemand ‘willens en wetens’ heeft gehandeld. Op zijn minst moet iemand dan hebben geweten dat er een grote kans bestond dat met zijn gedraging een bepaald gevolg zou intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard. Deze ondergrens van opzet wordt ook wel ´voorwaardelijk opzet´ genoemd. 

Bekend voorbeeld van voorwaardelijk opzet is de zaak die bekend staat als het  ‘Hoornse taart arrest’. In die zaak was er een vergiftigde taart verstuurd naar iemand, met het doel diegene om zeep te helpen. Maar de taart wordt opgegeten door de vrouw van de geadresseerde, die vervolgens overlijdt. Het verweer van de verdachte dat hij niet het opzet had om deze vrouw te doden, wordt verworpen door de rechtbank. Indien je een taart aan een huisadres laat bezorgen is de kans aanmerkelijk dat iemand anders van de vergiftigde taart eet en dus komt te overlijden. Omdat hij deze kans had geaccepteerd was er sprake van voorwaardelijk opzet en de man werd veroordeeld wegens moord op de vrouw, terwijl de taart eigenlijk voor haar man bedoeld was. 

Maar als iemand weliswaar onvoorzichtig of zelfs roekeloos heeft gehandeld, zonder rekening te houden met een slechte afloop, kan er hooguit worden gesproken van schuld. Vaak zijn de gevaren door onverschilligheid onvoldoende ingezien. Alleen onverschilligheid is onvoldoende om opzet aan te nemen. In zo’n geval is er niet ‘willens en wetens’ gehandeld en behoort vrijspraak te volgen. 

Ook rechtbanken en gerechtshoven gaan daar nog wel eens de mist in. Vorig jaar is een cliënt van mij veroordeeld wegens medeplichtigheid aan oplichting, omdat hij had geholpen met een inschrijving in het handelsregister en het openen van een bankrekening. Het gerechtshof meende dat er kon worden gesproken van (voorwaardelijk) opzet, ook al had cliënt verklaard dat hij meende dat hij had geholpen bij het opzetten van een legale handel. Hierover heb ik in cassatie geklaagd bij de Hoge Raad. Cliënt is wellicht onvoorzichtig geweest, maar er was geen sprake van een aanmerkelijke kans dat zijn hulp zou worden misbruikt om een misdrijf te plegen. Hooguit schuld dus, maar geen opzet. Vorige maand gaf de Hoge Raad ons gelijk en het gerechtshof zal de zaak opnieuw moeten beoordelen. 

In veel zaken is het goed om scherp onderscheid te maken tussen opzet en schuld. Ook al staat onomstotelijk vast dat iemand bepaalde handelingen heeft verricht, dit betekent nog niet dat de handelingen zijn verricht met het opzet om een misdrijf te plegen. 

In dit soort zaken is gebruik maken van het zwijgrecht meestal niet de beste strategie. Bespreek in een vroeg stadium welke uitleg gegeven kan worden voor bepaalde gedragingen. Als de rechtbank die uitleg opvat als een vorm van schuld, terwijl opzet is vereist voor een bewezenverklaring, zal vrijspraak moeten volgen. 

Mr. D.M. Penn