Hoe betrouwbaar is de herkenning door een opsporingsambtenaar?

Met grote regelmaat worden herkenningen door een opsporingsambtenaar als bewijsmiddel ingebracht in een strafzaak. In een ambtsedig proces-verbaal staat dan opgenomen dat de opsporingsambtenaar de verdachte voor 100% herkend op bijvoorbeeld de camerabeelden. De herkenning wordt vervolgens vaak weinig specifiek onderbouwd. Vaak is de herkenning gebaseerd op algemeenheden, zoals herkend aan postuur, uiterlijk of haardracht. Algemeen, omdat iedereen een postuur, uiterlijk en haardracht heeft. Omdat opsporingsambtenaren op ambtseed verklaren, zal de rechtbank niet snel aannemen dat de opsporingsambtenaar liegt. Maar vergissen is menselijk. Dit brengt ons bij de vraag: In hoeverre zijn dergelijke herkenningen betrouwbaar en bruikbaar als bewijs? 

Soorten herkenningen 

Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een herkenning door een opsporingsambtenaar dient allereerst een onderscheid te worden gemaakt in het type herkenning. 

Het eerste type herkenningen betreft de situatie dat de opsporingsambtenaar de verdachte goed kent van eerdere ontmoetingen. Om de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen te beoordelen zijn een aantal factoren van belang, zoals de intensiteit en frequentie van eerdere ontmoetingen, hoe recent het laatste contact is geweest en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen. 

Herkenningen van het eerste type worden eerder betrouwbaar geacht. Wie iemand goed kent, heeft immers soms maar weinig informatie nodig om iemand te herkennen. Dat niet altijd tot in detail kan worden verklaard waar iemand dan aan wordt herkend, komt ook omdat herkennen een zogenaamd holistisch proces is. Dit houdt in dat gezichten veelal worden herkend aan het gehele gelaat of lichaam c.q. de manier van bewegen en niet aan één specifiek kenmerk. 

Het tweede type herkenningen betreft het herkennen van personen die de opsporingsambtenaar niet eerder heeft gezien. Het gaat dan bijvoorbeeld om het herkennen van verdachte tijdens het verhoor, terwijl van te voren de camerabeelden zijn bekeken of een herkenning door de verdachte te vergelijken met de persoon op de beelden. Bij dit soort herkenningen speelt de kwaliteit van de beelden, of de beelden bewegend of stills zijn en de voorkennis een grote rol. Hierbij dient voor de betrouwbaarheid van de herkenning te worden achterhaald of de herkenning op de juiste wijze tot stand is gekomen of dat deze door externe factoren is beïnvloed. Bijvoorbeeld omdat er om andere redenen een vermoeden bestond dat de verdachte op de beelden te zien zou kunnen zijn. 

Herkenningen als bewijsmiddel 

Een herkenning is dus niet zomaar bruikbaar voor het bewijs, maar hier is wel een actieve rol voor de verdediging weggelegd. Zo is het belangrijk om te weten waarom en waaraan een verbalisant een verdachte meent te kunnen herkennen. De redenen daarvan worden lang niet altijd in het proces-verbaal van herkenning opgenomen. 

Helaas worden ‘herkenningen’ niet altijd even kritisch beoordeeld en getoetst tijdens een strafproces. Zolang de rechter geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen, wordt deze voor het bewijs gebruikt. Ook als verder geen onderzoek wordt gedaan naar de factoren die niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, maar wel doorslaggevend zijn voor de betrouwbaarheid van de herkenning. Zo kan een verbalisant wel zeggen dat hij iemand herkend, maar wanneer heeft hij de persoon voor het laatst gezien? En hoe lang duurde dat contact? Deze informatie is essentieel en kan een heel ander licht op de zaak werpen. Bewust of onbewust willen opsporingsambtenaren vaak ook een persoon herkennen. Een zaak dient immers te worden opgelost. 

Volgens rechtspraak van de Hoge Raad dient de vraag of een herkenning door een opsporingsambtenaar wel of niet voor het bewijs mag worden gebruikt, te worden beantwoord door de rechtbank of het gerechtshof. Oftewel de feitenrechters. Zij gaan over de selectie en waardering van het bewijs. Niet de Hoge Raad. Wanneer het dossier herkenningen door opsporingsambtenaren bevat, dient de verdediging te overwegen om de desbetreffende opsporingsambtenaren als getuige op te roepen. Tijdens een getuigenverhoor kunnen dan nadere vragen worden gesteld over de omstandigheden waarop de herkenning zou berusten. Op die manier kan de verdediging de betrouwbaarheid van de herkenning toetsen en zo mogelijk uiteindelijk de rechter vragen de beweerdelijke herkenning uit te sluiten voor het bewijs. 

Het voorgaande lijkt misschien logisch. Toch blijken rechtbanken en gerechtshoven vaak nog te gemakkelijk een beweerdelijke herkenning van een opsporingsambtenaar over te nemen. Sterker nog, het gerechtshof Amsterdam presteerde het een verzoek tot het horen van een verbalisant af te wijzen omdat ‘het Hof geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door hen opgemaakte processen-verbaal van herkenning van verdachte’. Deze uitspraak is deze zomer door de Hoge Raad vernietigd omdat de verdediging wel degelijk de mogelijkheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de herkenning te toetsten wanneer de juistheid van de herkenning wordt betwist. Het verdedigingsbelang mag in dat geval worden verondersteld. Een herkenning mag dus niet meer klakkeloos worden aangenomen, maar de verdediging zal wel tijdig om het horen van de verbalisant moeten vragen. Zo wordt in ieder geval bereikt dat de herkenning kritisch wordt beoordeeld. Vervolgens is de verdediging aan de beurt de rechter ervan te overtuigen dat de herkenningen onbetrouwbaar zijn en bewijsuitsluiting dient te volgen.

mw. mr. M.F.M. Ortner