Het systeem van promoveren en degraderen gaat op de schop, maar waarom?

Eind juni jl. is de wet Straffen en Beschermen aangenomen door de Eerste Kamer. De kans is groot dat de wet daadwerkelijk zal ingaan. Opmerkelijk zijn vooral de nieuwe regels over de voorwaardelijke invrijheidstelling (V.I.). Ook is opvallend dat de wetgever de toekenning van bijvoorbeeld een penitentiair programma of V.I. afhankelijk wil maken van het getoonde gedrag in de inrichting. Hierbij zou het systeem van promoveren en degraderen moeten worden ingezet. Als iemand op rood staat, zal in dit plan zelfs een V.I. op losse schroeven kunnen komen te staan. Dit is een forse wijziging met de huidige situatie, waarin ook iemand die veel ongewenst gedrag vertoont, in aanmerking kan komen voor V.I. 

Het systeem van promoveren en degraderen zou in het wetsvoorstel bovendien worden ‘vereenvoudigd’, door de categorie ‘oranje’ te laten verdwijnen. De Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) begrijpt deze keuze niet, nu er geen grondige evaluatie van het huidige systeem heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de categorie ‘oranje’ een belangrijke waarschuwingsfunctie. De beslissing om iemand op oranje te plaatsen dient immers te worden gemotiveerd en zo wordt het de betrokkene duidelijk welk gedrag hij zou moeten veranderen om weer op groen te komen.

Het proces van resocialisatie is toch een proces van ‘vallen en opstaan’. Gemotiveerde waarschuwingen passen in dat proces.  Als de directie besluit om iemand te degraderen op grond van ‘ontoelaatbaar gedrag’, behoort zij dat volgens de RSJ  eveneens te motiveren. De term ‘ontoelaatbaar gedrag’ is namelijk een ‘containerbegrip’ dat niet erg richtinggevend is. Een motivering is dan ook belangrijk om duidelijk te maken waarom bepaald gedrag ontoelaatbaar geacht wordt. Ook om te voorkomen dat gedetineerden, die in dezelfde omstandigheden wel of niet bestraft zijn, het idee krijgen dat er sprake is van willekeur en rechtsongelijkheid

Waarom wil de wetgever dan dat ‘oranje’ verdwijnt? In de praktijk worden volgens de RSJ feitelijk meer gedetineerden als groen gekwalificeerd dan hun gedrag rechtvaardigt. Volgens de RSJ zou personeel eerder geneigd zijn om gedrag groen te kwalificeren dan oranje of rood. Dit heeft te maken met het feit dat groen de minste onderbouwing en rapportages vraagt en daarmee ook lastige gesprekken met gedetineerden vermeden kunnen worden. 

Het opstellen van een onderbouwde rapportage is geen eenvoudige taak. Omdat gedetineerden relatief veel uren op cel verblijven krijgen piw-ers vaak onvoldoende gelegenheid om een goed beeld van een gedetineerde te vormen. Ook zijn piw-ers niet (voldoende) opgeleid om aan gedragsbeoordeling te doen. Als een gedetineerde het idee heeft dat hij een roodplaatsing te danken heeft aan een piw-er kan dit zelfs voor die laatste bedreigend zijn. Een groenplaatsing zou dan voor de piw-er vaak de gemakkelijkste keuze zijn. 

Vermoedelijk om te bewerkstelligen dat gedetineerden onterecht op groen blijven staan, wil de wetgever het systeem vereenvoudigen. Door de categorie ‘oranje’ te laten verdwijnen móét er wel een keuze worden gemaakt tussen gewenst of ongewenst gedrag. 

Aangenomen kan worden dat er met de nieuwe wetgeving strengere eisen gesteld aan het gedrag van gedetineerden zullen worden gesteld. Terwijl ongewenst of ontoelaatbaar gedrag ernstiger gevolgen kan hebben. De RSJ pleit daarom voor het geven van schriftelijke en gemotiveerde waarschuwingen alvorens tot degradatie wordt overgegaan. Ook pleit de RSJ ervoor dat de gedragsbeoordeling in de inrichting wordt geprofessionaliseerd. Volgens de RSJ is dat nu niet het geval. Piw-ers zijn niet opgeleid tot gedragsdeskundige en psychologen zijn maar wisselend aanwezig bij het Multidiscipliniair Overleg(MDO). Gelet op de ingrijpende gevolgen die een degradatie kan hebben, zullen de gedragsrapportages kwalitatief vooruit moeten gaan. 

In art. 2 van de Penitentiaire Beginselenwet(PBW) staat het uitgangspunt van de vrijheidsstraf beschreven. Deze dient zoveel mogelijk dienstbaar te worden gemaakt aan de terugkeer in de Maatschappij. Dit uitgangspunt heeft de RSJ duidelijk voor ogen. Hopelijk denkt de wetgever nog eens goed na over het wetsvoorstel. Een vereenvoudigd en strenger beleid draagt niet zomaar bij aan een betere resocialisatie van gedetineerden.  

Mr. D.M. Penn