Kan de wet Straffen en Beschermen leiden tot gratie?

De nieuwe wet Straffen en Beschermen die op 1 juli jl. in werking is getreden heeft de afgelopen maanden voor veel onrust gezorgd. Niet alleen betekenen de wet en aanverwante regelingen een verslechtering van de rechtspositie van gedetineerden, ze blonken ook nog eens uit in onduidelijkheid. En dat terwijl de Minister op Kamervragen had aangegeven dat gedetineerden geïnformeerd en geadviseerd zouden worden omtrent de nieuwe wet. Helaas is gebleken dat precieze gevolgen van de wet vaak ook voor casemanagers  en selectiefunctionarissen onduidelijk waren. Casemanagers schortten selectieverzoeken op of namen deze niet eens in behandeling. Adviezen die wel werden verstuurd, werden vrijwel allemaal door de selectiefunctionaris ‘in portefeuille’ gehouden, terwijl de selectiefunctionaris binnen zes weken had dienen te beslissen. Een verkeerde gang van zaken die tot veel onnodige vertraging en frustratie heeft geleid. 

Op 28 juni jl. heeft de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) voor het eerst een uitspraak gedaan in een zaak die verband hield met de nieuwe wet. Hier hadden wij geklaagd over o.a. stilzittende casemanagers en selectiefunctionarissen én over het ontbreken van overgangsrecht. De RSJ gaf ons op een aantal punten gelijk. Zo is de raad van oordeel dat er géén onderscheid gemaakt mag worden tussen gedetineerden die op 1 juli 2021 in een ZBBI. verblijven en gedetineerden die op 1 juli 2021 op een wachtlijst staan. De RSJ zegt daarover:

“De beroepscommissie is aanvullend van oordeel dat verweerder ook ná 1 juli 2021 diens beslissingen op verzoeken tot plaatsing in een ZBBI nog moet nagaan of gedetineerden daarvoor reeds vóór 1 juli 2021 in aanmerking kwam, mits de gedetineerde dit verzoek tijdig (dus in elk geval vóór 1 juli 2021) bij de directeur of verweerder heeft gedaan.(…)

Ook vertragingen in de inrichting of bij Individuele zaken mogen naar het oordeel van de beroepscommissie namelijk niet voor rekening komen van de gedetineerde.” 

Deze overgangsregeling geeft iets meer duidelijkheid. Wat de RSJ betreft hoeft de wet echter niet onverbindend verklaard te worden. De RSJ overwoog:

“de beroepscommissie begrijpt dat dit (een nieuwe wet met een latere fasering, DP) voor klager net zozeer frustrerend is. Zij vindt het ook in dit verband onwenselijk dat de rechter hier bij de strafoplegging geen rekening mee heeft kunnen houden, maar deze gewijzigde wijze van tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan evenmin worden aangemerkt als strijdig met het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in (onder meer) artikel 7 EVRM”

Volgens de RSJ zou artikel 7 van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) niet van toepassing zijn, omdat weliswaar de wijze van tenuitvoerlegging van de straf verandert, maar de (hoogte van de) straf zelf niet. En art. 7 EVRM zou niet gaan over de wijze van tenuitvoerlegging. De wet zou daarom de toets aan het EVRM doorstaan. Dit standpunt van de RSJ is door de rechter in kort geding gevolgd. 

Toch lijkt deze redenering de deur open te zetten voor een effectief gratieverzoek. Door deze nieuwe wet kunnen gedetineerden immers vaak pas maanden of jaren later aanspraak maken op vrijheden. Die vrijheden worden bovendien ingeperkt. Bijvoorbeeld met de nieuwe v.i. regeling. De nieuwe wet en de gevolgen daarvan waren voor de rechter ten tijde van de beslissing vaak nog niet te voorzien. Als de gevolgen van de wet toen wel bekend waren geweest, had de rechter mogelijk een andere (lagere)  straf opgelegd. Middels een gratieverzoek kan een herbeoordeling van de straf worden aangevraagd. Wellicht geeft de nieuwe wet aanleiding tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van de straf.  De eerste beslissingen op gratieberoepen moeten nog komen. Ook in lopende zaken kan de nieuwe wet gevolgen hebben voor de hoogte van de (netto) straf.

Zo zijn de gevolgen van de nieuwe wet nog volop in ontwikkeling. Wordt ongetwijfeld vervolgd. 

Mr. D.M. Penn